Het waren aardse, menselijke stemmen die ik enkele weken geleden hoorde, zittend aan mijn tafel in de living. U weet dat dit eigenlijk een terrastafel is maar laten we haar daar niet op nakijken. Een tafel heeft ook haar gevoeligheden en tenslotte staat iedere tafel het liefst waar ze moet staan. Tenzij deze tafel haar verhuis als een promotie ziet. En nu lopen we het risico een debat aan te gaan over de al dan niet gelijkwaardigheid van verschillende tafels. Stop! Tafels, aller landen verenig u! En ik wijd uit en uit, zoals altijd.

Ik hoor ze meer, luide stemmen op de straten in Turkije. Balıkçı! komt hier de visboer voorbij die zijn nachtelijke vangst aanprijst. Karpus! Ook een watermeloen mag op de feestdis niet ontbreken. Eskici! De schroothandelaar ontdoet u van al het overbodige. Doe uzelf een plezier en nodig mijn zoon uit om voor u de geluiden van een Turkse straat te imiteren. Avondvullend programma gegarandeerd en ik stuur u later de factuur.

Met deze stem, die dag was er wat aan de hand. Het was niet het repetitief herhalen van koopwaar. Het was geen gemeentelijke aankondiging, gemakkelijk te herkennen aan de luidsprekersgalm die de boodschap officieel doet klinken. Het was een lang en luid verhaal waarvan de inhoud mij onthouden bleef. Ik probeerde verder te tikken wat ik de avond ervoor in mijn defter had neergepend maar de stem leidde mij af. Concentratie zoek. Deze stem vond geen plaats in mijn klankarchief zorgvuldig opgebouwd door de jaren heen. Ik heb mijn stoel verlaten op het moment dat deze mannenstem een vrouwenstem werd die het verhaal herhaalde of verder zette. Het was tijd om op het balkon deze stemmen te visualiseren.

Ik zag ze meteen. Tien meter verwijderd van mijn balkon liepen ze in het midden van de straat. Dertigers, doorsnee dertigers. Hij in een grijze short met bruine T-shirt. Zij in jeans en witte bloes. Hij met kind op de arm, twee drie jaar oud. Ter hoogte van mijn appartement was het zij die luidkeels vertelde, niet schreeuwen, niet smeken. Vertellen. Ik zag mensen aan de overkant van de straat geld gooien vanuit het raam. Ik zag mensen hun huizen verlaten om het jonge paar geld in de handen te stoppen. Het geld werd opgeraapt, het geld werd met dank aanvaard maar ze stapten verder, dat doorsnee koppel, met dat kind op hun arm en hun verhaal. Ik was getuige en deed niets. Ik was te verbouwereerd en dacht niet aan mijn eigen geldbeugel. Ik staarde alleen maar.

Nu besef ik dat ik naar beneden had moeten lopen om deze mensen geld, çay en een stoel aan te bieden. In de geborgenheid van mijn balkon zou ik zeker hun verhaal begrepen hebben. Maar ik deed niets. Om geld te gooien waren ze reeds te ver verwijderd en het zou mij een wrang gevoel gegeven hebben. Ik deed godverdomme niets en zij wandelden verder in dezelfde tred de straat uit. En ik weet niet  welke richting ze uitgingen. Hun stemmen hebben ze achtergelaten. Ze leken zo mooi, zo fris. Het beeld klopte niet met de geluidsopname. Waarom weet ik helemaal niet, maar ze brengen bij mij het lied ‘Les amants d’un jour’ van Edith Piaf in gedachte.

Bedelaars zie je ook in Turkije maar dit was anders. Ik sprak er later over met vrienden en ook zij vonden deze scène ongewoon. Bedelaars zijn er niet meer of minder in Turkije dan in België. Ze vertonen alle kenmerken om hun armoede te onderstrepen. In Deniz Motel loopt dagelijks een vrouw door de tuin met haar zwaar gehandicapte zoon. Ze houdt haar hand op en krijgt een ontbijt, çay en een stoel om te verpozen. Ze neemt het allemaal dankbaar aan. Ik kom wel eens een kromgebogen vrouw tegen die schuchter de hand uitsteekt. Net als dede en Gurkan wil ik ze allemaal wat geven. Bedelen doe je niet zomaar. Ieder mens heeft zijn trots. Ik denk aan de reactie van mijn zoon toen hij zelf nog klein was en hij een jongen van zijn leeftijd zag slapen in het park naast een weegschaal. Gurkan had hem wakker gemaakt om zich te laten wegen maar vooral om zeker te zijn dat hij de muntjes veilig kon opbergen. “Papa, heeft die jongen geen thuis, geen bed om in te slapen?” Eren weende. De fijne, vrolijke kermisavond eindigde in droefenis.

In Istanbul, zoals in elke grootstad ter wereld, zie je natuurlijk meer bedelaars en daklozen. Dit jaar was hun populatie zelfs erg gestegen, wisten mijn vrienden te vertellen. Syrische vluchtelingen strijken neer in deze kosmopool en proberen te overleven. Sommigen vinden hier en daar een klus maar de meesten moeten genoegen nemen met bedelen. De overheid doet wat ze kan maar we zijn hier over aantallen aan het praten die ver over de grenzen gaan van wat in België als onhoudbaar wordt ervaren. België dat denkt het slachtoffer te zijn van alle migratie uit de wereld.  Ik werd boos, zeer boos – en u weet dat ik een rustige, charmante, lieve, innemende vrouw ben die alles onder controle heeft – toen iemand mij in Istanbul zei : “I hate these Syrians, lets take care of our own people”.

Waarom denkt u dat ik zo gedreven gids in het Red Star Line museum? Denkt u echt dat deze boten mij interesseren? Ik weet, ik begrijp dat mensen vluchten wanneer de situatie onhoudbaar wordt. Wij Europeanen hebben het massale gedaan. Het getuigt van moed wanneer je je spullen pakt om elders, het bange ongekende elders, een nieuw leven te beginnen met weemoed in je botten, weemoed die nooit zal slijten. Er lijkt maar één home te zijn maar velen zijn genoodzaakt deze home te verlaten. De Syrische vluchtelingen zouden Moel, Cohen of Hutlet kunnen heten. En voor die mensen sta ik in het Red Star Line museum. Indien het zo zou zijn dat u om welke reden dan ook het museum nog niet bezocht heb, dan gaat u dat nu! doen. U gaat er geen spijt van hebben en vanaf september heet ik u er opnieuw welkom.

Ga naar

Verhalen voor onderweg

Meld je aan voor onze nieuwsbrief