De weg naar Midar is een reis op zich. Ik ben er al meer dan zes jaar niet geweest en ondertussen is er een nieuwe weg aangelegd die langs de kustlijn loopt. Na 280 kilometer komt er een einde aan deze weg en dan is het letterlijk bergop rijden. De autowegen lopen rond de bergen heen omhoog, zodat je rondjes draait tot je er bent. Wanneer ik misselijk uit de auto stap, komt de warme lucht mij tegemoet, net als mijn nichtje dat luidkeels 'Saida, Saida!' roept. Ze verwart mij met mijn oudere zus, die hier de afgelopen jaren wel nog geweest is. Mijn tante loopt achter haar aan. ‘Dat is Saida niet, dat is Hanan’, lacht ze. Ik glimlach naar het kleine meisje, dat teleurgesteld weer terugkeert naar haar huis.

Ik verken de omgeving en ontdek dat alle straten in de wijk verwijzen naar een Europees land of een stad. Meteen denk ik aan de heisa die er vorig jaar gemaakt werd omdat er misschien een Mohamed Achrak-plein zou komen in Antwerpen. Heel wat mensen klaagden, want “we zijn hier niet in Marokko hé!”. In Midar heerst dus niet dezelfde mentaliteit.

Ik zie Midar groeien op alle mogelijke manieren. Het woestijnachtige landschap blijft hetzelfde, maar er zijn meer huizen, meer wegen en er is zelfs een ziekenhuis gebouwd dat gespecialiseerd is in nierdialyse. Het platteland wordt toegankelijker en daardoor keren veel Belgen en Nederlanders die afkomstig zijn uit Midar jaarlijks terug. En misschien ik ook wel. Of toch zeker binnen een jaar of zes.

 

Hanan is 22 jaar oud en studeert bijna af als communicatiewetenschapper. Deze zomer verblijft ze drie weken in Marokko, waar ze schrijft over de ervaring om als Marokkaanse Belg op vakantie te gaan naar het land waar haar ouders geboren zijn. Voor Gazet van Antwerpen houdt ze een reisblog bij. Haar tweede tussenstop: Midar.

Ga naar

Verhalen voor onderweg

Meld je aan voor onze nieuwsbrief